Selecteer een pagina

Vanochtend, toen ik mezelf op mijn harloopschoenen even leeg liet lopen in de polder, kwam ik een vogelaar tegen. Dat het een serieuze vogelaar was, kon je zien aan zijn grote telelens, zijn donkergroene buitenmens-tenue, zijn appeltjeswangen en zijn lichte loopneus. Hij stond voor een weiland waarin een stevig paard stond en tuurde door zijn kijker in de verte. Ik keek naar het paard, het paard keek naar mij. En dat was alles.

Ik ben vaak jaloers geweest op mensen die een ‘ding’ hebben. Die alles om zich heen vergeten als ze schaatsen, fietsen, zingen of aan hun computer prutsen. Die kunnen verdwijnen in wetenschappelijk onderzoek naar het paringsgedrag van een weinig voorkomend krabbetje in de Indische oceaan. Die hun hele leven al met autisten werken en er niet over peinzen om een keer iets anders te gaan doen. Die zich, kortom, hechten aan een uiting. Hun ‘ding’ hebben. Een verdinging van jezelf, van de drift die onder je deksel huist. Een houvast. Ik mis iets van dat vermogen, vandaar dat ik mezelf zo makkelijk onderuit haal. Ik heb meer met ‘vallen en opstaan’.

Je geeft je leven vorm vanuit je binnenste, wat daar in vredesnaam ook speelt. Je binnenste komt tot uitdrukking in je werk, in je relaties, in hoe je eruit ziet, in het formaat van je hond, de opvoeding van je kinderen en de besteding van je zaterdagavond. Zelfs onopvallend zijn is een statement. Er is geen ontkomen aan, we kunnen elkaar allemaal lezen.

Maar sinds ik geen vaste plek meer heb op werkgebied en ook prive nogal in de ontginningsfase zit, ervaar ik de impact van ‘geen eigen ding’. Alsof ik voor een lege bladzijde zit, met de pen in mijn hand. Elk verhaal kan komen, maar waar begin ik? Er zijn geen illusies. Niemand staat nog te klappen, niemand staat te wachten, niemand zegt dat ik harder of zachter moet. Ik ervaar geen opdracht, het is aan mij. En tjoep, daar gaat die deksel open. Die drift heeft geen boodschap aan mijn geaarzel. Het vuur moet eruit. GA IETS DOEN. NU. Maar wat?

Ik snap heel goed waarom we ‘verdingen’. Daarbij refereer ik graag aan Rutger Bregman, die in zijn pleidooi voor het basisinkomen stelt dat we ons harde werken alleen maar in stand houden omdat we als de dood zijn voor de mogelijke leegte. Dat we dan niet weten wat we met onszelf moeten, dat we dan zinloosheid gaan ervaren en ons gaan beseffen hoe we uit contact zijn geraakt. Een goeie reden om het verstand op nul te zetten en snel een ding te zoeken. Of zou het leven achter het ‘ding’ ook paradijselijk kunnen zijn?

Ook ik kan niet zomaar zonder ding, maar liefde gaan voelen voor het ding waarmee je echt samenvalt is soms een ware beproeving. Het is dus een tijdje stil geweest. Ik was verbaasd naar binnen aan het kijken. En toen weer naar buiten. En toen weer naar binnen. Nu kom ik eraan. Ik heb er zin in.